Rommelhoekjes met karakter. De ringmus houdt van kleinschalig boerenland, erven, tuinen en dorpsranden met hagen, heggen en oude schuurtjes. Plant meidoorn, sleedoorn, vlier en haagbeuk. Laat klimop tegen een muur groeien. Hang nestkasten op onder dakranden of in een oude fruitboom – graag een beetje in kolonie, want samen is gezelliger. Geen strak gemaaid gazon, maar stukken met gras dat mag doorschieten. En vooral: geen pesticide. Insecten zijn geen plaag, maar ringmus-brandstof.
In het broedseizoen een fanatieke insectenjager: rupsen, kevers, vliegen – alles voor een goed gevulde snavel richting nest. Buiten het seizoen schakelt hij over op zaden van granen en kruiden. Zelf staat hij op het menu van sperwer en huiskat. Als de ringmus er is, klopt het plaatje: genoeg insecten, genoeg struiken, genoeg rust.
Het hele jaar. Standvogel, honkvast en trouw aan zijn plek.
Staat op de Rode Lijst als gevoelig. De soort is de afgelopen decennia flink afgenomen door schaalvergroting in de landbouw, het verdwijnen van erven vol schuren en struiken en een tekort aan insecten. Meer heggen, meer rommel, meer leven – dan volgt de ringmus vanzelf.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.