Open land met lucht en zicht. Natte greppels, slootkanten, kruidenrijke akkerranden, plasdras stukjes. Kort gras met insecten erin: weiland, dijk, parkveld, paardenwei. Zet een hoekje “rommelig” weg: ruigte, distels, brandnetel. Laat slootkanten gefaseerd maaien, niet alles tegelijk. Op het erven: zorg voor wat water ondiepe water plekken, stapel takken, en vooral: minder strak.
Insecteneter met tempo. Pakt vliegen, muggen, kevers, rupsen en spinnen. Ruimt zo plagen op in graslanden en rond vee. Is ook zelf voer voor sperwer en boomvalk: een schakel die alleen werkt als er genoeg insecten zijn.
Broedvogel van ongeveer april tot en met augustus. Trekt weg; in winter zie je ’m hier niet.
Broedvogel, landelijke trend al jaren dalend. Vooral door een te netjes, te droog en te insect-arm landschap.
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.